De Camping

Het gras staat geprint in mijn been als ik van de grond opsta. Zand op het stuk hand waar ik mij mee omhoog duwde. Met mijn vingers sla ik de zwarte korrels er van af. Niet wetend wat te doen laat ik mij een meter verderop weer in het gras vallen. De zon is hier minder fel een magere boom draagt wat bladeren die de schaduw brengen. Als ik mij strek kan ik net bij het boek over de omgeving. Ik sla het boek willekeurig open en bekijk de restaurants en de lekkernijen uit deze streek. Bij de waterkraan tegenover mijn tent is een man gaan staan hij vult een fles met water en vraagt wat ik heb gedaan vandaag. Ik kijk naar de geprinte grassprieten in mijn been en het boek op mijn schoot, bedenk mij dat ik ook de scheerlijnen van de tent heb aangetrokken, voor een boterham was het wat warm dus heb ik vruchten gegeten. Ik kijk hem aan en zeg, vandaag was ik in en om de tent. Dat maakt ruimte voor hem om al zijn avonturen van vandaag met mij door te nemen. Ik knik en zeg een keer ‘ OO’ en ‘oja’. De zon draait wat waardoor de bladeren van de magere boom geen schaduw meer bieden. Ik wapper met het boek van de omgeving langs mijn gezicht. De man vertelt ook wat hij morgen gaat doen. Ik volg het niet kan de aandacht er niet bij houden. Ik schrik pas op als hij vraagt, En jij? Ik denk dat het nog over de vraag gaat wat ik morgen ga doen. Omdat ik nooit zo plan weet ik daar niet direct antwoord op. Ik zeg dat ik dat morgen ga bekijken.

Dit bericht is geplaatst in Minimale fragmenten. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *