Hagelstenen zijn hard

De regen tikt op het dak. Dan ineens hoor ik gekletter op de schuine ramen. Een witte korrel slaat tegen de ruiten. Het wit steekt af tegen de donkere lucht. En dan is het ineens voorbij. Nu hoor ik het water door de verwarmingsbuizen gaan en een vogel in de dakgoot, zijn vleugels gaan over de pannen. Het wordt langzaam lichter en de zon vindt een gaatje in het wolkendek.
Beneden in de tuin zie ik de sneeuwklokjes met de hangende kopjes staan. De zwarte contouren van de bladerloze takken van de goudenregen prikken in de zonnestralen. Later in het jaar zal het gele bloemen regenen.
Ik ga de stad in op zoek naar rumoer, een vallende fiets of een schreeuwende marktkoopman. De donkere dagen heeft de wereld levenloos gemaakt. Zon doet de dempende deken oplossen. De terrassen zijn gevuld al zijn de kacheltjes boven tafeltjes nog aan. Als iemand mij een krant aanbiedt neem ik hem aan terwijl ik hem in donkere dagen altijd nee schuddend voorbij loop. Een vrouw die ik ken van in het voorbij gaan lacht naar mij, ik lach terug
Maar dan pakken de wolken zich weer samen steekt er een wind op en valt er hagel uit de lucht, de stenen doen pijn aan mijn hoofd. De randen van mijn oren zijn koud. Mensen stoppen hun gezicht in de jas. De terrassen lopen leeg. Een man die verborgen in zijn jas bijna tegen mij aan loopt verontschuldigd zich, ik zie een glimlach verschijnen als hij opkijkt van uit zijn jas. Hij laat daarmee weten dat straks de zon weer schijnt.

Dit bericht is geplaatst in Minimale fragmenten. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *