Zoekend

 

Hij vraagt mij de weg naar de rechtbank. Ik kijk hem aan en zie een jonge jongen met veel gel in zijn haar. Ik weet niet hoe ik het vragen moet maar ik zeg, bedoel je het hotel de Rechtbank of de echte rechtbank. Het is koud en de wind laat de bladeren dwarrelen in de lucht. Ik probeer er nog een te vangen. Hij zegt nee, de echte. Ik weet nooit zo goed hoe je bij de rechtbank komt. De Singel zit er tussen en als je die bent overgestoken is het dan de eerste naar rechts of de derde en als je ergens anders de singel oversteekt moet je dan naar links of rechts ben je er dan al voorbij of niet. Wat nu het hotel is was eerst de rechtbank en is gemakkelijker te vinden zo midden in de stad. Daar ben ik nog wel eens geweest op de publieke tribune omdat hij neergestoken was, omdat hij met zijn vriend gearmd liep. De dader zat ook in de zaal en zei dat tussen zijn beste vrienden ook homo’s zaten. Een groot boe-geroep kwam uit de zaal. Als ik de jongen met de gel in zijn haar de kant van de rechtbank wil wijzen raak ik hem even aan, zijn jas voelt ruw, zijn wangen zijn rood, ik denk dat zijn handen klam voelen. Als hij de richting op loopt die ik hem wijs kijk ik hem nog even na en denk, ga je ook naar de publieke tribune, ben je slachtoffer of heb je het gedaan.

In het overdekte winkelcentrum loopt een jongetje van een jaar of vijf, huilend tussen de Gall en Gall en de Intertoys. Ik vraag hem wat er is. Hij trekt zijn zwarte krullen voor zijn ogen en zegt dat hij zijn moeder kwijt is. Er lopen veel mensen in de passage. Ik kijk even om mij heen of ik een zoekende moeder zie. Ik zie wel een man die schichtig om zich heen kijkt en dan weer zijn telefoon in zijn handen neemt. Een vrouw op haar knieën die in haar tas op zoek is naar iets. Het is warm in de Passage. De zon schijnt op de ramen in het plafond. We gaan naar de winkel waar hij het laatste contact met zijn moeder had. De jongen is wat bedaard en houdt mijn hand stevig vast. Hij raakt helemaal over zijn toeren als de winkel leeg is met alleen de verkoopster achter in de winkel, die de dozen Playmobil recht zet. Ik zie een man met een V op zijn borst in de passage lopen en ik spreek hem aan. Hij weet misschien meer van vermissingen. De man neemt de jongen bij zijn arm en verdwijnt in de menigte.

Hij vraagt mij de weg naar de straat waar we in staan. Ik ben even in verwarring. Ik denk we zijn toch al op de plek waar hij naar toe wil. Op zijn slaapbeen zit grijshaar hij draagt een gele regenjas en in zijn hand een sigaret die nog niet aangestoken is. Hij speelt met de sigaret, hij laat hem door zijn hand draaien en dan glijdt hij weer tussen wijs en middelvinger. Ik wijs naar het straatnaambordje op het huis op de hoek van de straat en zeg hem, je bent er al. Hij pakt zijn telefoon, zoekt in de gegevens. Ik moet bij de Volksuniversiteit zijn, zegt hij. Ik weet waar het is. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, denk ik. Zijn hand zoekt in zijn broekzak en vraagt mij om een vuurtje. Dat kan ik hem niet geven. Het is zachtjes gaan regenen op het papier van de sigaret zijn spatjes te zien. Ik zeg hem dat daar de Volksuniversiteit is en ik wijs naar de overkant van de straat.

 


 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie, Rok the system. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *